spelfouten

Eerste hulp bij spelfouten #2: zo maak je ze niet meer

Spelfouten en grammaticale missers: het kan de besten overkomen. Er zijn momenten waarop je je eigenlijk geen tekstuele onjuistheden kunt veroorloven. Bijvoorbeeld in een belangrijke e-mail naar een klant of in een advertentie op Facebook. Ben jij geen grammaticaheld? Of ben jij juist een taalliefhebber? Dan is deze rubriek iets voor jou. Vorige week legde ik onder andere uit of het ‘de’ of ‘het’ blog is. Tegen welke onderstaande fouten loop jij aan?

#1 ‘Na’ versus ‘naar’

Het komt wel eens voor dat je er niet genoeg tijd voor uittrekt om zorgvuldig een bericht te schrijven. Zo worden bepaalde woorden bijvoorbeeld niet eens volledig uitgeschreven, waardoor de betekenis van een zin opeens heel anders wordt:

FOUT. “Ik ga na mijn moeder.”

(Ik kom ‘me’ moeder ook regelmatig tegen, trouwens. Maar daarover meer in een volgend deel.)

‘Na’ je moeder gaan klinkt meer als een constatering van een personage uit American Horror Story. Alsof jij na jouw moeder aan de beurt bent om in mootjes gehakt te worden.

GOED. “Ik ga naar mijn moeder.”

Overigens is de zin “Ik ga na mijn moeder” niet fout. De zin krijgt alleen een totaal andere betekenis. ‘Na’ geeft een tijdsbepaling aan en betekent ‘later dan’. ‘Naar’ geeft een richting aan. Als je wilt vertellen dat jij inderdaad na jouw moeder aan de beurt bent om in mootjes gehakt te worden, is ‘na’ 100% juist. Als iemand je vraagt: “Waar ga jij heen?”, dan antwoord je met: “Ik ga naar mijn moeder.”

#2 ‘Thuiskomen’ of ‘thuis komen’?

Toegegeven, Nederlands is een lastige taal. Samengestelde woorden en werkwoorden zijn een belangrijk onderdeel van onze taal. Toch twijfelen mensen hier vaak over. Onlangs gaf mijn kantoorgenootje een leuk voorbeeld:

FOUT. “Als we thuis komen, gaan de kinderen aan de slag met hun huiswerk.”

GOED. “Als we thuiskomen, gaan de kinderen aan de slag met hun huiswerk.”

In deze zinsconstructie is het ‘thuiskomen’. (Want ‘thuis komen’ doe je meestal niet waar de kinderen bij zijn. Pa dum tss!)

Kortom: bedenk van tevoren goed wat de betekenis van het gebruikte werkwoord is. Wat bedoel je precies? Wat wil je zeggen? En het belangrijkste punt: krijgt het werkwoord een andere betekenis als je het niet aan elkaar schrijft?

#3 ‘Die’ versus ‘dat’

Betrekkelijke voornaamwoorden, ook een prachtonderdeel van onze taal. Wat zijn betrekkelijke voornaamwoorden? Denk aan woorden als ‘die’, ‘dat’ of ‘deze’. Deze woorden verbinden een hoofdzin met een bijzin. Toch gaat dit geregeld mis:

FOUT. “Het meisje die veel spelfouten maakt.”

Het is ‘het’ meisje. Dus is het bijbehorende betrekkelijk voornaamwoord ‘dat’, niet ‘die’. Bedenk dat de volgende regel (meestal) geldt:
=> ‘het’ = ‘dat’;
=> ‘de’ = ‘die’.

GOED. “Het meisje dat veel spelfouten maakt.”

Omdat in deze zin naar een persoon verwezen wordt, kan het vreemd klinken om voor ‘dat’ te moeten kiezen. Maar ‘die meisje’ klinkt nog veel erger. Toch?

Hulp nodig met teksten?

Vond je dit leerzaam, maar heb je geen zin of tijd om zelf te schrijven, te redigeren of te vertalen? Geen probleem! Ik help je graag. Je kunt bij mij terecht voor wervelende blogs, foutloze teksten en pakkende berichten op social media. Klinkt goed? Neem dan contact met mij op.

Foto: ©Christin Hume/Unsplash

SaveSave

SaveSave